This page is available in other languages: English, Nederlands.

Introduction

Het nobelste erfgoed in de engelse kunst *

Het is Kerstmis. Temidden van de gotische pracht van King's College Chapel in Cambridge staat een koor van mannen en jongens gekleed in koorhemd rustig te wachten. Alle plaatsen in de kapel zijn bezet en millioenen over de hele wereld hebben radio en TV aan om het beroemde Festival of Nine Lessons and Carols te horen. De koorleider stapt naar een van de jongens. Die weet pas dan dat hij gekozen is om de opening van het eerste lied te zingen. Hij krijgt een teken en meteen klinkt een zo engelachtig geluid door de lucht dat men bang is adem te halen. Het stijgt naar het gewelf en lijkt daar te blijven zweven: "Once in Royal David's city stood a lowly cattle shed, where a mother laid her baby in a manger for his bed ..." Een ogenblik later sluit de rest van het koor zich erbij aan en komt de helder verlichte kapel binnen. De klanken van de jongens en mannen rijzen omhoog, elkaar langzaam volgend - zuiver, van zilver. Voor velen in Engeland en rond de wereld begint Kerstmis op dit moment pas echt.

Stel je nu een heel andere situatie voor. We zijn in een oude katedraal (een anglikaanse, ed.) ergens in de engelse provincie. Het is vijf uur op een koude middag in februari. Het orgel begint te spelen. Buiten regent het en het begint al donker te worden. De schaarse gemeente die voor de avonddienst naar binnen is geglipt staat op als het koor van mannen en jongens in processie naar de koorbanken loopt. De dienst begint. De antieke formules van het Prayer Book lijken alle aanwezigen bijelkaar te brengen: "Lighten our darkness O Lord ... - Breng licht in onze duisternis O Heer, en wend door Uw genade al de gevaren van deze nacht van ons af". Het duister van het kerkhof sijpelt door de hoge gotische vensters, dringt omlaag naar de zwak verlichte koorbanken. Even later eindigen de rustige, nadenkelijke gebeden, en het koor staat op. Direkt is de lucht vervuld van muziek; de jongensstemmen rijzen omhoog, ingetogen en waarachtig, hun melodie verwikkelt zich met de lagere mannenstemmen. Van tijd tot tijd maakt zich de altstem los met een fijn ornament, of de basstem stapt omlaag en weerklinkt in een krachtig kontrast met de sopraanstemmen hoog erboven. Dan zijn er weer gebeden en psalmen, perfekt door het koor gezongen en tegen het einde van de dienst weerklinkt een geestelijk lied van beangstigende komplexiteit. Toch is het alsof het zingen ervan het eenvoudigste van de wereld is voor de mannen en voor de kleine koorzangers.

En dan eindigt de dienst, bijna zo plots als hij begon. Het heeft nietmeer dan veertig minuten geduurd en de mannen zijn op weg naar huis. De jongens maken zich gereed voor hun huiswerk - een half uur wiskunde afmaken, een Franse vertaling. Voor hen is dit gewoon een deel van hun dagelijkse werk.

Ongeveer tegelijkertijd zijn in de katedraal van Westminster (katholiek, ed.) de Vespers aan de gang. "Deus, in adiutorium meum intende (Heer, sta mij bij)", wordt door de priester ingezet, en meteen klinkt het antwoord van de mannen en jongens van het koor: "Domine ad adiuvandum me festina (Heer help mij, snel)". In het verloop van het volgend half uur worden de gebeden van de oude Kerk gesproken en delen van de Heilige Schrift gelezen. Verder volgt er een intense stroom psalmen, lofzangen en antifonen. Ze worden met indrukwekkende vaardigheid en godvruchtig effekt op de aldaar verzamelde gemeente ten gehore gebracht. En alweer zijn het de stemmen van de mannen en jonge jongens die deze schijnbaar moeiteloze schoonheid produceren. Op zo'n ogenblik zijn we getuige, zo zouden we met Jacob kunnen geloven, van het beeld van "de geopende hemel: engelen van God, opstijgend en afdalend".

De hierboven geschetste taferelen geven maar een kleine indruk van het rijke erfgoed dat in de britse eilanden en Engeland in het bijzonder leeft. De Carol Service van King's College, de anglikaanse avonddienst of de vespers, dit zijn niet zo maar incidentele gebeurtenissen of concerten. In tegendeel, ze zijn deel van een traditie van koren van mannen en jongens die bijna zonder onderbreking meer dan duizend jaar in katedralen en kerken hebben gezongen. Koren zoals deze hebben ooit in de hele christelijke wereld geleefd. Vandaag zijn er maar verstrooid een paar van over. Stromingen van politieke en religieuze verandering hebben ze weggespoeld, behalve in Grootbritannie. Hier zijn er nog meer dan zeventig die een regelmatig een magnifiek en roerend stuk eredienst bieden. De alt-, tenor-, en basstemmen van de mannen - zij leveren de sonore basis van de muziek. Maar het is de vergankelijke schoonheid van de jongensstem die geest en hart in ons raakt zoals misschien niets anders het kan. Een paar kostbare jaren lang, dag in dag uit, bij regen en zonneschijn, voor een grote gemeente of ook voor helemaal niemand betoveren de koorjongens met hun sierlijke meesterschap, muziek zingend die weinig volwassenen ooit aan zouden durven pakken. Dan is het allemaal voorbij, een nieuwe generatie jongens moet hun plaats overnemen. Dat dit gebruik zo lang heeft overleefd is op zich opmerkelijk genoeg, maar dat het zich ontwikkeld heeft tot het verheven spirituele en kulturele goed dat het geworden is, is niet minder dan verbazend. In aangezicht van zo'n erfgoed voelen we ons klein en sprakeloos.

Whence is that goodly fragrance flowing? **

De engelse koortraditie is niet uit het niets ontstaan. De oorsprongervan is zowel oud als eerwaardig. En hoewel geen aanspraak gemaakt kan worden op een letterlijke verbinding met het evangelie, is het zonneklaar dat zijn inspiratie en voorbeeld in vroeg-christelijke gebruiken ligt, ja in den Heiland zelve. De wortels zijn makkelijk te vervolgen; aanduidingen naar muziek zijn in het nieuwe testament niet zeldzaam en vaak heel significant. Matteus bijvoorbeeld besluit zijn beschrijving van het laatste avondmaal met de woorden:

"Nadat zij een lofzang hadden gezongen gingen ze op weg naar de Olijfberg"

Hier is Christus, omgeven door zijn discipelen en slechts uren voor zijn lijden en dood. Het beeld is bewegend en blijft vanzelf in de herinnering. Ze hebben hun laatste maal samen gehad en zingen nu de grote Hallel-psalmen die altijd aan het einde van het Pesachfeest gezongen werden. Een jaar of 30 eerder was er ook een hymne geweest: toen de hemelsche heerschare verscheen, de glorie van God in den Hooge zingend. En we lezen van Jezus, die op zeker moment tijdens Zijn dienst op aarde de les van Iesaiah in de synagoge van Nazareth leest: het klinkt alsof hij dit gezongen heeft zoals toen gebruikelijk. Even later, in de Handelingen van de Apostelen en de brieven van Paulus vinden we aanduidingen van het zingen van psalmen, hymnen en geestelijke liederen. Het is echter in de Openbaring, met Johannes' visie van de onophoudelijk gezongen lof en prijs voor de troon van God, dat de centrale betekenis van muziek in de christelijke godsdienst het duidelijkst wordt.

Wat betreft het oude testament, hoewel het duidelijk is dat in de vroegste perioden het gebruik van muziek algemeen met gemengde gevoelens werd gezien: zodra koning David het psalmzingen in de eredienst had ingevoerd kreeg muziek een belangrijke plaats in de Joodse religieuze eredienst. Dit zelfs zozeer dat na de rekonstruktie van de Tempel door koning Herodes een koor ingesteld werd om dagelijks de psalmen te zingen. Het bestond uit Levieten, twaalf mannen. Er waren ook koorjongens, hun rol was 'de melodie zoeter te laten klinken'. Hoewel weer zonder absoluut bewijs is het redelijk om aan te nemen dat de zangscholen die onderdeel van het vroege christendom waren op z'n minst hun inspiratie aan de tempeltraditie danken. Dit vermoeden wordt verder versterkt door de Bijbel zelf, die ons vertelt dat de eerste volgelingen van Christus in het begin hun godsdienst in de synagogen bleven uitoefenen. Toen de twee religies tenslotte hun eigen wegen waren gegaan, begon het muzikale leven van de Christelijke Kerk zich vanuit deze kern te ontwikkelen - in het begin langzaam want door vele Christenen werd muziek met de heidense wereld in verbinding gebracht. Met de bekering van keizer Konstantijn in 312 en een jaar later de publikatie van het Edict van Milaan dat de christelijke godsdienst legaliseerde, was de kerk tenslotte vrij zijn liturgie te ontwikkelen.

In verloop van tijd ontstonden uit het joods-christelijke gezangsritueel dat tot dan toe de norm was geweest andere vormen van liturgie; de koorelementen daarvan werden door lokale gebruiken bepaald, maar het traditionele antifoon van het Hebreewse psalmzingen bleef erin bewaard.

In het vroegchristelijke tijdperk was de sterkste invloed op de kerkmuziek die van St. Ambrosius van Milaan, bekend als de 'vader van het kerklied'. Maar vooral na de verkiezing van Gregorius de Grote in de zesde eeuw nam het muzikale leven van de Kerk een hoge vlucht. Onder zijn leiding werden er Scholae Cantorum (zangscholen) opgericht als hulpmiddel voor de ontwikkeling van een muziekbibliotheek, ten dienste van de hele christelijke wereld. Karel de Grote richtte meerdere van zulke scholen in zijn rijk op, en geleidelijk, naarmate het zelfvertrouwen, de welvaart en de ambitie van de Kerk toenamen begon men kerken en katedralen te bouwen die deze nieuwe liturgien een waardige plaats konden bieden.

In 597 ging St. Augustijn aan land bij Ebbsfleet in Thanet, heden ten dage beter bekend als een station van de Eurostar trein. Bij zich had hij een spoedopdracht van Paus Gregorius om koning Aethelbert en zijn volk te bekeren. (Dat was de paus die een jaar of twintig eerder, bij navraag naar een stel kinderen die als slaven in Rome verkocht werden, te horen kreeg dat ze Engels waren en daarop uitgeriep: "Non angli sed angeli" - "geen Angelen maar engelen"). Als onderdeel van deze algemene opdracht richtte Augustijn een schola op van mannen en jongens om de liturgische behoeften van de Kerk te dienen, en een basis van geestelijkheid voor de evangelisatie van Engeland. De jongens werden in de lagere rangen van de geestelijkheid opgenomen en kwamen met de tere leeftijd van zeven in het koor, om de dagelijkse diensten te zingen zodra ze daartoe in staat waren. Hoewel ze in die vroege dagen niet als 'koorknapen' bekend stonden, is dat wat ze in feite waren. De inspanningen van de apostel der Engelsen, zoals st. Augustijn later genoemd werd, wierpen weldra vruchten af en luttele 25 jaar na zijn dood in 604 vertelt de Eerwaardige Bede ons: "de kennis der heilige muziek, tot nu toe beperkt tot het graaftschap Kent, begon zich nu over alle kerken der Engelsen te verbreiden".

In Angelsaksische tijden werden heel kleine jongens door hun ouders weggegeven als offergave, om in kloostergemeenschappen opgevoed te worden. Daar kregen ze basisonderwijs en leerden deel te nemen aan het religieuze leven van de gemeenschap. Soms waren het geen kloosters maar plaatsen geleid door reguliere kanunniken die direkt onder de lokale bisschop vielen. Toch was de voornaamste taak, onafhankelijk in welke soort instelling een jongen zich bevond precies dezelfde, namelijk samen met de mannen deel te nemen aan het zingen van de diensten. Wat betreft de meisjes die aan de nonnenklosters weggegeven werden, het schijnt dat zij op dezelfde manier samen met de nonnen zongen. Voor moderne voorstellingen is het op die manier van de hand doen van kinderen onbegrijpelijk, maar dit waren andere tijden. Door Christenen van die dagen werd de offergave van een kind gezien als de allerbeste manier om het een goede start in het leven te geven. Desondanks waren tegen het midden van de 12 eeuw de jongens uit de kloosters verdwenen. In de gewone katedralen (die niet bij een klooster hoorden) waren ze weliswaar als offergaven ook verdwenen, maar ze zongen nog. Zoals Alan Mould in The English Chorister bemerkt: "Men kan zich afvragen waarom katedralen toen jongens hadden hoewel ze helemaal niet de status van offergaven hadden. Er was meer dan een reden. In de eerste plaats omdat jongens altijd onderdeel van de gang van zaken in de westerse christelijkheid waren geweest, en in Engeland vanaf minstens de tijd dat Canterbury in de tijd van Augustijn katedraal was. Ten tweede waren ze onvervangbaar: de klank van jonge koorknapen werd vergelijkbaar geacht met het zuivere geluid van de engelen."

Eeuw na eeuw, jaar in jaar uit zongen duizendtallen van mannen en jongens, hun namen nu alleen nog aan God bekend, de dagelijkste diensten van de Kerk in katedraal en klooster. En zo had het voort kunnen gaan als de Reformatie er niet tussen was gekomen. Na de breuk met Rome werden de kloosters en abdijen wrijwel geheel ontdaan van de geestelijkheid, onder het geheel gefingeerde voorwendsel dat ze onverbeterlijk korrupt waren, de gebouwen werden afgebroken. De eraan verbonden koorinstellingen hielden op te bestaan, en in een tijdvak van enkele maanden werd het rijke erfgoed van het Gregoriaanse kerkgezang en andere traditionele muziek met grof geweld afgedankt. Meer nog, de missen, motetten en alles wat in het Latijn gezongen was werd stante pede illegaal.

Deze ruwe grofslachtige handgreep had makkelijk het einde kunnen betekenen van de rijke stroom sakrale muziek die sinds de aankomst van Augustijn zo belangrijk was geworden. Maar, zo gaat de ondoorgrondelijke loop der dingen, de vervanging in 1549 van de oude Getijden van de Kerk door het Ochtend- en Avondgebed gaf in feite een nieuwe impuls aan het muzikale leven van de Kerk. Cranmer's mooie Matins en Evensong-diensten zouden de glorie van de liturgie van de anglikaanse kerk worden, en in de loop der eeuwen zouden komponisten groot en klein er muziek voor schrijven.

Men zou denken dat er na de opschudding door de ontbinding der kloosters wel weer stabiliteit over de Kerk zou zijn gekomen. Maar in plaats daarvan kwamen de exekutie van Karel I en de heerschappij van Cromwell en zijn Commonwealth. De strenge puriteinen die aan de macht kwamen moesten niets van muziek hebben. Voor hen rook dat naar zonde. Orgels werden in stukken geslagen en koren ontbonden. Zoals Kenneth Long in The Music of the English Church schrijft: "de ontbinding van de koren ... had ver reikende effekten op de ontwikkeling van de Engelse muziek. ... Koren zijn geen meubelstukken die naar believen opgeruimd en vervangen kunnen worden; niet alleen gaan er jaren van vakmanschap over heen een goed koor te vormen, maar koren ontwikkelen hun eigen stijlen, tradities en loyaliteiten die zorgvuldig beschermd worden. Verder speelt traditie een belangrijke rol in de training van koorknapen: zodra ze gevestigd is houdt ze zichzelf in stand: kleine jongens leren van de groten, nemen de klank, stijl en gewoonten over die kenmerkend zijn voor hun koor". Gelukkig werd het moeizame process van herstel van deze koren enthousiast aangepakt, ondanks het herstel van de monarchie. Maar al aan het begin van de negentiende eeuw waren de koren weer zover in verval geraakt dat het kantje boord was of ze waren voor goed verdwenen. Weer volgens Kenneth Long: "Een grote traditie was in een groef terechtgekomen en van daar in een dood spoor". Dit was ook de tijd dat koorknapen schaamteloos uitgebuit werden, slavenwerk moesten doen en verhuurd werden voor pecuniair voordeel van hun koorleiders. Toch kwam het lot tussen beide en de traditie ovreleefde niet alleen maar begon te floreren.

Hoewel in het algemeen juist mag zijn dat vooruitgang en overwinning in elk gebied het produkt van grote inzet en moeite zijn, of anders van niet aflatende intrige en planning, er zijn veel gevallen waar de voor succes bepalende faktoren meer die van opstand, inertie of zelfs verwaarlozing waren. Dit is in bijzondere mate het geval voor de Engelse koortraditie. Wat we nu hebben is niet het gevolg van een eenvoudige logische ontwikkeling. Het is eerder de uitkomst van een eeuwenlange reeks veranderingen, langzame en revolutionaire. In zijn lange geschiedenis heeft het anglikaanse kerkkoor tussen twee soorten invloed geleefd - het ene moment bevorderd door zorg en intelligentie, een ander moment overgelaten aan de wisselvalligheid van het lot. Zijn redder is eerder goed geluk dan verstand geweest.

Het is maar al te menselijk dingen voor vanzelfsprekend te houden, aan te nemen dat er altijd weer een volgende dag komt. Helaas, niets in het leven is ooit zeker! Gegeven de problemen die nu van alle kanten op ze drukken zijn kerkkoren op dit punt geen uitzondering. Als we ze ooit verliezen is het bijna onvoorstelbaar dat ze ooit weer tot leven komen want, zoals de befaamde koordirigent George Guest zei: "Het is makkelijk een traditie op te geven; het is enorm moeilijk er een weer tot leven te brengen". Het verlies van de zingende jongens in de katedralen zou een kulturele en spirituele kalamiteit van onberekenbare orde zijn. Sir Sydney Nicholson, oprichter van de Royal School of Music, begreep dit goed. In een toespraak voor de Musical Asoociation in 1944 zei hij: "Kort voor de oorlog werden muziekkritici uit alle delen van Europa naar dit land uitgenodigd om te zien en horen wat we te bieden hadden. Ze hoorden het werk van onze belangrijkste komponisten, onze vokale en instrumentale solisten, onze koren, orkesten, onze opera. Maar toen het over was en hen gevraagd werd wat ze het als de grootste bijdrage van Engeland aan de muziek van de wereld beschouwden, was het antwoord het zingen van de Engelse koorknapen."

Het doel van de Campaign for the Traditional Cathedral Choir is allen ten volle te ondersteunen en aan te moedigen wier taak het is dit heilige erfgoed te bewaren. Onze traditionele kerkkoren van mannen en jongens zijn ons door onze voorvaderen doorgegeven - in vertrouwen. We zijn slechts hun tijdelijke beheerders. Het is onze taak ze te koesteren, ze door te geven: een levende, ongebroken en vitale erfenis voor hen die na ons komen.

* The Church Music Society

** Quelle est cette odeur agréable? Traditioneel frans kerstlied